Fotocollectie domweg vergeten
‘Verloren tussen 1899 en 1955’, meer is er vaak niet over geweten. Veertig van de fotografische kunstwerken die de Belgische overheid vanaf 1895 aankocht, verdwenen in onopgehelderde omstandigheden uit het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. Dat is nu het uitgangspunt voor een groepstentoonstelling in de Stilll Gallery in Antwerpen.
Brussel was eind negentiende eeuw de bakermat van de avant-gardekunst. Op de salons van Les Vingts (1883-1893) waren vernieuwers te zien als Ensor, Cézanne, Gauguin, Seurat en Van Gogh. Mecenas en kunstcriticus Octave Maus maakte met het tijdschrift van Les XX de geesten rijp voor kunst die het academisme en de pompierskunst de rug toekeerde.
In dat liberaal-progressieve klimaat besliste de Belgische overheid om in 1895 een collectie foto’s van zogeheten picturalisten aan te kopen. Deze kunstenaars, onder wie beroemde namen als Alfred Stieglitz, Edward Steichen, Nicola Perscheid, Edouard Hannon en Léonard Misonne, gebruikten hun camera om van de werkelijkheid een impressionistische, vaak wat mistige neerslag te maken. Daarbij schuwden ze het experiment niet.
Tot dan toe was fotografie een hulpmiddel voor kunstenaars geweest, zij het een invloedrijk middel, zoals de studie van het oeuvre van onder anderen de Haagse schilder George Hendrik Breitner (1857-1923) overtuigend heeft aangetoond. Maar verlichte geesten in België zagen het werk van de picturalisten al heel vroeg als een zelfstandige kunstvorm.

In het museumgebouw in het Jubelpark wilde men in één van de vleugels een fotografiemuseum op poten zetten. De collectie telde aan het begin van de twintigste eeuw 67 foto’s. De eerste aankopen gebeurden op het Salon Photographique in 1895 te Brussel. Voor sommige werken telde de staat 50 Belgische frank neer, andere werden verworven voor 5 frank of werden door de kunstenaars gewoon geschonken.
Het Jubelparkmuseum, dat nu officieel bekend staat als Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis (KMKG), heeft evenwel nooit uitgeblonken in museaal beheer. Stukken werden/worden er in een deplorabele toestand bewaard en ook in de registratie van de stukken in de inventaris liet in het verleden vaak te wensen over.
Na een stiekeme afdaling in de kelders van het museum stelde De Morgen deze misstanden in 2000 aan de kaak. Na de publicatie van de artikels nam museumdirecteur Francis Van Noten ontslag. Later dook nog meer alarmerend nieuws op, bijvoorbeeld over tientallen stukken die spoorloos verdwenen of gestolen waren uit de zilvercollectie. Maar de fotografiecollectie was een geval apart: het bestaan ervan was stomweg vergeten!
Wanneer in 1996 in het museum een box wordt aangetroffen met foto’s, blijkt niemand aanvankelijk de herkomst ervan te kennen. De jonge kunsthistorica Tamara Berghmans, thans curator van het Fotografiemuseum in Antwerpen, onderwerpt deze picturalistische fotocollectie in 2001 aan een nader onderzoek voor haar thesis. Ze stelt vast dat van de collectie nog slechts 27 van de 67 foto’s aanwezig zijn, de rest is spoorloos verdwenen. 

Opvallend genoeg zijn het door verzamelaars en musea felbegeerde namen als Steichen, Stieglitz en Perscheid die ontbreken. Dat maakt de veronderstelling dat we te maken hebben met diefstal alleen maar waarschijnlijker. Bovendien is het moeilijk te achterhalen welke kostbare foto’s precies verloren zijn gegaan. In oude inventarissen die de werken vermelden is vaak geen beschrijving, laat staan een afbeelding, te vinden.
Deze bizarre situatie intrigeerde Thierry Vandenbussche van de Stilll Gallery in Borgerhout. Hij vroeg veertien kunstenaars om in te spelen op deze deels virtuele picturalistische fotocollectie. Het resultaat is te zien in de tweedelige tentoonstelling A Specter from the Land of If.

Directe, anekdotische illustraties van de hierboven beschreven geschiedenis treft men er niet aan. Grafisch ontwerper Ward Heirwegh komt het dichtst in de buurt met zijn halfstokvlaggen waarop foto’s uit de collectie zijn afgebeeld. Dominique Somers werkt in de geest van de picturalisten door het beeld te manipuleren om het interessanter te maken. Jan Kempenaers verrast met experimentele, abstracte impressies uit Moskou en Egon Van Herreweghe maakt grafisch-abstracte beelden die tot stand komen door papier te vouwen, te manipuleren en te kopiëren. Ook Hana Miletic speelt in op het experimentele aspect van de picturalisten: ze print een opname van het door het Oosterweeltracé bedreigde Sint-Annabos met de zogenaamde Fresson-techniek van 1900. Haar onderwerp is dus ook geassocieerd met verdwijning, een thema dat bij nog meer deelnemers aan deze expositie opduikt. Van andere werken is de band met het uitgangspunt van de tentoonstelling iets te vrijblijvend. Maar dat doet niets af aan het schitterend concept dat ten grondslag ligt aan dit tentoonstellingsproject.
Eric Bracke in De Morgen, 28/05/2014